Fotos van de Dalai Lama.
De oude vrouw voor de Jokhang heeft nog maar een paar bruine tanden. Ze kraait onverstaanbare woorden naar me en houdt haar hand op. Alweer een bedelaar, denk ik. Ik wordt er in Lhasa overal door achtervolgt: kinderen met zelfgemaakte houten instrumenten die even spelen en dan hun hand ophouden, monniken met een plastic zak vol geld, die meer willen voor hun klooster, en nu ook al vrouwen voor de Jokhang. Achter ons werpen pelgrims zich ter aarde. Eerst staan ze recht overeind, handen tegen elkaar voor de borst, en prevelen en gebed. Vervolgens laten ze zich vallen. Hun handen belanden op stukjes karton die ze over de grond met zich meeschuiven.
Ik zucht en haal vijf Mao, een dubbeltje uit mijn tas. Volgens de Lonely Planet het gangbare bedrag voor bedelaars. "Geef net zoveel als de lokale bevolking, wen de bedelaars er niet aan dat westerlingen meer geven", waarschuwde de reisgids streng. De vrouw kijkt me verbijsterd aan. Wat is er verkeerd?, vraag ik me af. Te weinig? Inflatie? Een man naast me begint ineens te lachen. "Ze vroeg om een foto van de Dalai Lama en jij geeft haar geld", giechelt hij.
Ik lijk wel een Chinees, die menen ook dat de Tibetanen geld willen, terwijl velen vooral verlangen naar hun religieuze leiders. Ik heb de dag ervoor net een drie-uur lange preek aangehoord van een, overigens heel vriendelijk, Chinees kaderlid. Hij beweerde dat ook Tibetanen rijkdom en ontwikkeling zoeken. Dat is overal ter wereld hetzelfde en er geen enkele reden aan te nemen dat dat Tibet anders zou zijn, zo meende hij.
Hij had gedeeltelijk gelijk. De Tibetanen willen best ontwikkeling. Maar het bergvolk is tegelijkertijd ook diep religieus en als ze moeten kiezen tussen hun religie en de Chinese ontwikkeling, zullen velen voor hun geloof kiezen. Het grote probleem in Tibet is natuurlijk dat het volk niets te kiezen heeft. Vanaf de tijd dat het Chinese leger in 1950 Tibet onder de voet liep, beloofde de communistische partij de vooruitgang. De Chinezen bouwden wegen en scholen. In de afgelopen dertig jaar investeerden de leiders uit Peking meer dan drie miljard dollar in de nieuwe "Autonome Regio", zo lichten de Chinese media ons vrijwel dagelijks voor. Het Tibetaanse Bruto Nationaal Produkt is de afgelopen tien jaar vertienvoudigd.
Daarvoor moesten de Tibetanen wel hun onafhankelijkheid en hun culturele en religieuze tradities opgeven. De Chinese heersers noemen deze ruil "de bevrijding van het volk van de feodale onderdrukking door kloosters en de grondbezitters". De regio, die tot dan toe verboden gebied was voor buitenlanders, werd bestuurd door de religieuze en politieke leider, de Dalai Lama. Deze probeerde na de Chinese invasie met de machthebbers uit Peking samen te werken. Hij stuurde een delegatie naar Peking, maar die werden gedwongen en "Negen-punts-overeenkomst" te tekenen. Daarin stond dat Tibet vanaf nu onderdeel zou zijn van Chna, maar Mao beloofde de Tibetanen ook geloofsvrijheid en zelfbestuur. De Chinezen begonnen echter al snel de voorwaarden van hun eigen verdrag te schenden. Toen er geruchten gingen dat ze de Dalai Lama wilden kidnappen, vluchtte de religieuze leider met meer dan 80.000 volgelingen naar India, waar hij een regering in ballingschap begon. Tibets tweede religieuze leider, de Panchen Lama, bleef achter en collaboreerde met de Chinezen. Hij belandde al snel in de gevangenis.
Begin jaren zestig begonnen de Chinezen echt aan hun revolutie. Er bleef bijna niets over van de duizenden kloosters en tempels die het land rijk was geweest en uiteindelijk kostte de komst van de Chinezen een miljoen levens. Niet iedereen ging er op achteruit. Slaven en pachters, vroeger het bezit van kloosters en adelijke families, kregen land waar ze eeuwenlang voor niets of vrijwel voor niets op hadden gewerkt. Honderden bedelaars, nomaden en arme boeren werden naar school gestuurd in de Chinese provincies en kregen daarna leidinggevende functies. Zij zijn nu China's trouwste verdedigers. Hun leider scheldt de Dalai Lama en zijn volgelingen voor "separatistische terroristen".
Maar in Tibet zelf praten opvallend weinig mensen deze officiële veroordeling na. Eenvoudige boeren en nomaden vertellen dat ze hopen op een spoedige terugkomst van de Dalai Lama. Het is voor hen een kwelling dat foto's van de Dalai Lama officieel verboden zijn. Op de zwarte markt zijn ze wel in omloop. Zoals met alle regels in China, wordt ook deze wet soms wel en soms niet geimplementeerd.
Voor de Tibetanen zijn de Westerlingen in Lhasa lopende prentenboeken. Je hoeft je hand maar op te steken voor deze blonde wezens, en er komt een gratis foto van de Dalai Lama uit, zo lijkt de plaatselijke bevolking te denken. En er zijn Westerse toeristen die de foto's, en zelfs de autobiografie van de Dalai Lama, in Tibet uitdelen. Nu ik er op attend ben gemaakt, merk ik dat overal mensen me een verbasterde versie van "Dalai Lama picture" toeroepen. Zelfs de nomadenkinderen die we op een uur rijden van Lhasa langs de kant van de weg tegen komen, willen eerst snoepjes en dan een foto van hun religieuze leider. Als ik ze probeer duidelijk te maken dat ik geen van beide heb, willen ze dat ik mijn tas openmaak. Ze geloven er duidelijk niets van, want wat zou er anders in die tas kunnen zitten?
Ondanks de beloften van de Chinezen, gingen de meeste Tibetanen er economisch weinig op vooruit, vooral vergeleken met de rest van China. Toen China zich begin jaren tachtig snel ging ontwikkelen en liberaliseren, leek er ook even hoop voor Tibet. De kloosters mochten weer open. De toenmalige partijvoorzitter Hu Yaobang bezocht Tibet, en klaagde over de armoede. De partijbaas beloofde dat snel recht te zetten. Maar de liberale Hu Yaobang werd afgezet.In plaats van liberalisering en ontwikkeling volgde een nieuwe ronde van harde onderdrukking. Eind jaren tachtig begonnen vooral monniken en nonnen een serie demonstraties voor onafhankelijkheid. Het Chinese leger schoot op de demonstranten en het toekijkende publiek, er volgden vele arrestaties. De toeristen, die nog maar net binnen mochten, werden weer buiten gezet en Tibet ging jarenlang dicht.
Uiteraard geven de Chinezen de "separatisten" nu de schuld van de economische achterstand van de regio. Ze beloven ook dat er tegen de eeuwwisseling geen armen meer zullen zijn in Tibet.
De "separatisten" werpen vanuit hun woonplaats in India tegen dat de economische ontwikkeling van Tibet vooral de Chinezen ten goede komt. Het zijn de Chinese immigranten die de restaurants runnen en de nieuwe gebouwen neerzetten. En de Chinezen leggen wegen aan omdat dit handig is voor de vrachtwagens van het leger. Helpen met de ontwikkeling van Tibet is dan ook een gevoelige zaak: Buitenlandse regeringen zetten soms projecten op voor de Tibetanen om er vervolgens achter te komen dat er honderden Chinezen uit naburige provincies worden binnen gehaald om het werk te doen.
De Tibetanen blijven zich verzetten tegen de Chinese aanwezigheid. Ze voelen zich onderdrukt een groep hele slechte mensen. De Tibetanen zijn ook bang. Ze praten niet uit zichzelf over politiek of de Dalai Lama, en als ze er in de hierna volgende verhalen iets over zeggen, dan komt dat omdat ik ze er uitdrukkelijk naar heb gevraagd. Maar het ging ook niet om de politieke uitspraken. Het meest fascinerende van de verhalen die ik in Lhasa en Dharamsala optekende is de onvoorstelbare lange weg die velen in hun leven hebben afgelegd. Aan welke kant ze ook staan, de Chinezen vernderden voor altijd hun leven. Het is bijna onvoorstelbaar in welke geisoleerde dorpen op de hoogvlakten de meeste mensen met wie ik sprak opgroeiden, en hoe ver ze van daaruit gekomen waren.
Het idee een boek te schrijven over Tibet deelde ik met Iliana, een Franse journaliste met wie ik vijf jaar geleden in een appartement in Peking woonde. Iliana bracht bij ons de eerste Levende Boeddha, volgens de Tibetanen iemand die na vele reincarnaties het niveau van en Boeddha heeft bereikt, over de vloer. Hij had twintig jaar in Zwitserland gewoond en had daar in al die tijd vijf woordjes Duits geleerd. Nu had hij geld gekregen van de Nederlandse ambassade voor de opbouw van zijn kliniek voor traditionele medicijnen in Oost Tibet. Hij wilde eigenlijk ook nog wel een auto "om de zieken te vervoeren". Ook was er nog een plaatselijke tempel met boeddha beelden waar weer een paar kilo goud op moest. De Levende Boeddha vroeg of ik hem mee wilde nemen naar de Nederlanders in Peking. De volgende dag trok hij zijn traditionele Tibetaanse kleren aan, nam en bosje witte sjaaltjes mee en zo gingen we meer geld vragen. De Nederlandse diplomaten waren erg vriendelijk. Ze bleven netjes met hun sjaaltjes om staan. Toen we klaar waren op de ambassade wilde de Levende Boedha naar de disco. Hij verwisselde zijn nomadenjas voor een modern pak en we gingen gezellig swingen.
Ileana kreeg inmiddels en relatie met een Tibetaanse wetenschapsman die in Peking voor het Tibetaanse Wetenschappenlijk Instituut werkte. Hij was getrouwd. Ze belandde in dezelfde uitzichtloze situatie als de meeste vrouwen die een relatie aangaan met een getrouwde man: hij beloofde te scheiden, zijn huwelijk was toch maar gearrangeerd door zijn ouders en betekende niets, en vervolgens kwam daar niets van. Ileana gaf Engelse les aan zijn zestien-jarige zoon. Toen ze hem, in en emotionele opwelling, genoeg geld gaf om naar India te vluchten, ging de hele familie gezellig op vakantie in Tibet en keerde een paar weken later braaf terug naar Peking.
De vader wilde dat Ileana een boek schreef over zijn leven. Dit moest in het diepste geheim gebeuren. Waarom precies is onduidelijk, want zijn levensverhaal was dat van en arme slaaf die door China werd opgeleid tot wetenschapper. Er stond geen enkel onvertogen woordje in. En zo ontstond in ons appartement het idee verschillende levensverhalen van Tibetaanse mensen op te tekenen.
Ileana had bronnen genoeg. Het volgende vriendje was een Tibetaanse handelaar uit Chengdu. Hij haatte Chinezen, en weigerde zelfs zich in een kamer met een Chinees te bevinden. Hij verkocht Tankas, de Tibetaanse religieuze schilderingen op stof. Ileana besteedde tweeduizend dollar aan de aankoop van tankas, en dacht er enorme winsten mee te maken in Peking. In de Chinese hoofdstad kon ze ze echter aan de straatstenen niet kwijt. Tashi, de handelaar, was niettemin een aardige jongen die bij haar bleef toen ze langzaam in begon te storten en weer opnieuw aan de drank raakte. Uiteindelijk verkocht ze al haar spullen en verdween naar Tibet, Nepal, India. In plaats van de levensverhalen van Tibetanen, besloot ze zich te gaan verdiepen in het Boeddhisme. Ik weet niet waar ze nu is, maar ik heb in de regios rond Tibet veel van dergelijke Westerlingen gezien, verloren zielen, die niet weten wat ze er precies zoeken. Velen vinden een thuis in een boeddhistisch klooster of als vrijwilliger tussen de vriendelijke Tibetanen.
Mijn nieuwsgierigheid voor Tibet was gewekt. Ik woon tien jaar in China, en ken de goede kanten en ook de onhebbelijkheden van de Chinezen. Ik weet dat de Chinezen niet allemaal de wrede monsters zijn waar ze door Westerse Tibet activisten worden uitgemaakt. En de Tibetanen, op hun beurt, maakten op mij niet de heilige indruk waarmee ze in de Westerse pers wel worden beschreven. De Chinezen zijn en interessant volk, soms heel idealistisch, soms totaal gedemoraliseerd. Het is ook en erg trots volk, dat steeds maar weer probeert de grandeur van vroegere tijden terug te halen. Respect voor het individu bestaat nauwelijks. Ook id het idee dat je armen moet helpen nieuw in China. In plaats daarvan hebben Chinezen de neiging neer te kijken op degenen die armer zijn dan zij. Dat ondervinden de Chinese boeren dagelijks, ze worden in de steden ongelooflijk onbeschoft behandeld. En het gedrag van de stedelingen is nog slechter ten opzichte van ethnische minderheden, waartoe de Tibetanen officieel behoren. Een leraar op de Peking universiteit, China's meest presigieuze instelling voor hoger onderwijs, vertelde uitgebreid aan zijn leerlingen hoe barbaars de Tibetanen waren. "Ze zijn helemaal smerig. Als ze dan van die grote stukken schapenvlees eten, druipt het vet druipt zo over hun vieze jassen heen." Er is ook rascisme, in China wordt neergegekeken op degenen met een donkere huidskleur, want dat zijn boeren die in de zon op het land werken.
Dan is er het gebrek aan respect voor cultuur, hetgeen ervoor zorgde dat er ook van de Chinese cultuur weinig overbleef tijdens de Culturele Revolutie. En er is het onbegrip voor religie. Dit alles beloofde van begin af aan dus weinig goeds voor de Tibetanen, donkerder en armer, met en heilige verering van eigen cultuur en religie. Gekoppeld aan de absolute machtspositie van het lokale partijkader in verre provincies, was de invasie van Tibet een recept voor ellende.
Maar om het allemaal zelf uit te gaan zoeken was niet eenvoudig. Jarenlang was het onmogelijk voor een buitenlandse correspondent in Peking om naar Tibet te reizen. Vorig jaar kwam daar verandering in. Ik begon in Mei meteen te zeuren, maar er was eerst een twintigtal belangrijkers mediarepresentanten aan de beurt. Het antwoord op mijn aanvraag luidde, toen ik uiteraard zelf belde, dat ik op de lijst stond en en fax zou krijgen als ik aan de beurt was. Die fax kwam niet. Wel vertelde iemand dat ik in Augustus aan de beurt zou zijn. In Augustus zeiden ze September. In Oktober verklaarden ze dat het nu winter was, en veel te koud, zodat er dit jaar geen journalisten meer zouden komen. In de krant stond net een artikel hoe er voor toeristen speciale aanbiedingen in de wintermaanden waren.
Ik beklaagde me bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Peking. En aardige Chinese diplomate beloofde hulp. In Februari stuurde ik weer een verzoek, maar het antwoord bleef hetzelfde. Totaal gefrustreerd ging ik naar de Indiase ambassade in Peking en vroeg en visum aan om dan maar te gaan berichten over de Tibetaanse gemeenschap in Dharamsala. Op vrijdag zou ik het visum krijgen, maar de Chinese man die het visumkantoortje beheerde vertelde dat "er nog over gepraat moest worden". Diezelfde dag kreeg ik en telefoontje uit Lhasa, of ik die maandag niet in Tibet kon zijn.
Al moest ik als journalist dus wel een jaar zeuren, voor gemiddeld duizend gulden per dag leidden de medewerkers van het "Foreign Affairs Bureau" me uiteindelijk netjes rond. Om zes uur was mijn programma meestal afgelopen en dan ging ik alleen de stad in. Nooit het gevoel gehad dat ik werd achtervolgd of in de gaten gehouden.
Tibet is weer open. Diplomaten, afgevaardigden van de Verenigde Naties, NGO's, buitenlandse investeerders en natuurlijk toeristen mogen allemaal naar binnen. Het toerisme is door de autoriteiten aangewezen als een van de steunpilaren van de economie. Ze willen het aantal toeristen in de komende jaren vervijftig-voudigen. Ze worden daarbij geholpen door de films "Zeven jaar in Tibet", een Hollywood versie van het verhaal van een Oostenrijkse bergbeklimmer die tijdens de Tweede Wereldoorlog bevriend raakt met de jonge Dalai Lama; en "Kundun" het persoonlijke verhaal van de Dalai Lama. De films zijn overal ter wereld een kassucces, en daarom zitten alle Tibet-reizen voor tegenwoordig vol. Overal staat Tibet weer in de belangstelling, de acties en de concerten en zelfs de lippendiensten van de Westerse politici zijn weer volop in de mode. In Tibet zelf zijn de film natuurlijk verboden. Want zo is het Chinese beleid: wel de opbrengsten, maar niet de vrijheid.