Gevlucht naar een verlaten bergtop

Bijna dagaelijks melden zich in India en Nepal nieuwe groepjes vluchtelingen uit Tibet aan. In een 'gewoon' jaar zijn het er duizend. In het afgelopen jaar waren het er beduidend meer. De Chinese autoriteiten hebben loyaliteitsverklaringen opgehaald in een campagne tegen de Dalai Lama, vandaar. Sommige Tibetanen vluchten om religieuze of politieke redenen. Anderen verdragen de Chinese minachting eenvoudigweg niet meer. Van het westen verwachten de Tibetanen niets. Dat de Amerikaanse president naar China op bezoek gaat, voegt aan hun verwachtingen nietys toe en doet daar ook niets aan af.

Toen hij klein was, wilde Dawa Tsering een Chinees worden. "Ik was zo Chinees, en keek zo tegen de Chinezen op, dat ik mijn naam wilde veranderen. Het probleem was, dat er geen enkele Chinees Da heette met zijn achternaam. Ik zocht en zocht, en uiteindelijk vond ik een historisch figuur die wel Da heette. Ik was dolblij. Eindelijk was ik helemaal Chinees. Op mijn twintigste sprak ik alleen Chinees. Als ik Tibetaans sprak met mijn ouders, dan dacht ik eerst in het Chinees, en vertaalde het in mijn hoofd daarna naar het Tibetaans. "

Nu is Dawa een van de honderd duizend Tibetaanse vluchtelingen die in een koel bergstadje in India een eigen mini-maatschappij hebben opgebouwd. Ook dat is niet zomaar te bereiken. De Indiase diplomaten in Peking zijn   wel een beetje huiverig met het afgeven van en visum aan een journalist die over Tibetanen wil schrijven. "U weet dat het een gevoelige kwestie is", zo vertellen ze. Ik werp tegen dat ik tien jaar in China woon, en duidelijk geen anti-China activiste ben. De diplomaten willen dat ik en brief onderteken, waarin ik verklaar dat mijn artikelen niet in plaatselijke bladen in Peking zullen verschijnen en ook dat ik geen film ga maken. Kennissen menen dat ik, nadat India die week in internationale problemen is geraakt door kernproeven te houden, het visum wel helemaal kan vergeten. Een week later zit ik in het vliegtuig.

Het is wel een eind reizen. Door de bloedhete, levende hel die New Dehli heet. Met een gezicht op onweer, omdat ik van anderen hoorde dat alleenreizende blonde vrouwen in India niet met rust worden gelaten. Dat blijkt overigens wel mee te vallen. Een beetje informatie verstrekken over mijn echtgenoot doet wonderen. Dan met een trein naar een bergplaatsje en vervolgens met twee reizigers die ik in de trein tegen kom per gehuurde auto naar het bazaarstadje Dharamsala. De Dalai Lama en zijn volgelingen wonen in een bergplaatsje daar weer boven, dat McLeod heet.

In dit gehucht wonen zevenduizend Tibetaanse vluchtelingen. Ze hebben een eigen mini-maatschappij opgebouwd. De eerste vluchtelingen volgden de Dalai Lama in 1959, na de eerste anti-Chinese opstand in Lhasa. De Chinese bezetters onderdrukten die opstand hard, volgens cijfers van de vluchtelingen, werden er van 1949 tot 1979 meer dan vierhonderdduizend Tibetanen geexecuteerd of doodgemarteld. De vluchtelingen kregen van de Indiase regering een verlaten zomerkamp van de vroegere koloneale Britse bezetters toegewezen. Die lieten nog een kerk achter, genaamd "St John in the Wilderness". De Tibetanen kregen hulpgeld, waarvoor ze wel wegen aan moesten leggen. De mannen verdienden vijf rupees per dag, de vrouwen vier, en kinderen anderhalf . Toen de wegen klaar waren, volgden de huizen. In het begin wisten de vluchtelingen niet of ze wel huizen moesten bouwen, want ze rekenden er op weer snel terug te keren. Maar uiteindelijk moesten ze wel, want contact met Tibet werd tijdens de Culturele Revolutie totaal verbroken, en er kwamen maar steeds meer mensen bij. Dus bouwden de Tibetanen ook maar een school, een ziekenhuis, een tempel en een parlementsgebouw.

Tegenwoordig is de oude nederzetting een bloeiend toeristenplaatsje. De Tibetanen beheren kleine hotels en winkeltjes waar ze souvenirs en "Free Tibet"-T-shirts verkopen. De gasten zijn een kleurrijke stroom Westerlingen. Sommigen hullen zich in Indiase batik en dragen oorbellen door hun neuzen. Ze zoeken bij de Tibetanen hogere sferen of meditatietechnieken. De Israelische jongen die ik in de trein leer kennen zoekt "vrijheid". Hij is na zijn studie meteen gaan werken en vindt dat hij iets gemist heeft. De andere medereiziger, en stugge Brit die reisleider is, zegt "Ja, veel Israeliers hier. Ze komen meestal na hun militaire dienst om alle shit uit hun hoofd weg te krijgen". De Westerlingen worden er allervriendelijkst ontvangen. Een Nederlandse man stelde voor de troep in het plaatsje te gaan recycelen. Dat leek de Tibetanen een goed idee, en nu verkopen ze ook dik, ongebleekt papier. De plaatselijke Indiers profiteren van het circus mee door stalletjes met etenswaren op te zetten of door langs de kant van de weg te gaan zitten bedelen. De bedelende meisjes met baby’s op hun heup weten dat als de buitenlanders geen geld geven, ze vaak wel eten willen kopen. Maar het economische succes van de immigranten wekt ook jalouzie, vorig jaar stak de lokale bevolking een Tibetaans huis in brand. De Dalai Lama dreigde toen te verhuizen. Dat maakte indruk en de Indiers beloofden beterschap. Ze weten ook dat Mc Leod, zonder de geestelijke leider en zijn volgelingen een verlaten bergtop zou zijn.

Aan een van de twee wegen, inmiddels weer vervallen tot brede modderpaden, die het centrum van het dorpje vormen ligt het opvangcentrum voor nieuw aangekomen vluchtelingen. Een groepje jonge monniken en een paar meisjes zitten er op bankjes te wachten op een interview. Een man vertelt dat er per jaar ongeveer duizend vluchtelingen bij komen, maar dit jaar zijn het er al bijna 1800. Dit komt door de "Patriotistische Campagne" die de Chinese autoriteiten in 1997 uitvoerden in de kloosters. Monniken die weigerden een document te ondertekenen waarin de Dalai Lama werd bekritiseerd, moesten uittreden. Dat is ook het geval van Pemba de zestien-jarige, broodmagere monnik die nu aan het tafeltje zit. "Het is hier net een droom, al die foto’s van Zijne Heiligheid.", zo zegt hij. Hier krijgt hij plaats in een klooster dat dezelfde naam draagt als de orginele instelling in Tibet.

De vluchtelingen komen op allerlei verschillende manieren. Sommigen, trokken eerst naar Bhutan. Tegenwoordig lopen de meesten wekenlang over de Himalaya’s heen naar Nepal. Ze komen met bevroren ledematen aan in het opvangcentrum voor Tibetaanse vluchtelingen.. Anderen volgen een eenvoudiger weg. Ze kopen toestemming om per bus naar de grens te rijden en worden dan door een Nepalese koopman meegenomen naar de andere kant. Alle vluchtroutes kosten op zijn minst een paar honderd gulden, en het zijn dus vooral de rijkeren die een weg naar India vinden.

Onder aan de weg, langs de tempel van de Dalai Lama en dan nog een half uurtje over een bergpaadje naar beneden, ligt het "Information Office" Daar wordt en aanlopende journalist meteen geholpen. De volgende dag staan er al vier interviews op het programma en ik krijg een jongen van de documentatieafdeling mee voor eventuele vertalingen. Hij heet Karma en heeft in Noorwegen gestudeerd. Hij neemt me mee langs de mensen die in China werden gemarteld. En niet alleen twintig jaar geleden tijdens de Culturele Revolutie, maar ook nu nog.   

Dawa, "de ex-chinees", heeft een baan aan het Chinabureau van de informatieafdeling.   Hij zit aan een bureau dat bedolven ligt onder de papieren en bedenkt de inhoud van zijn volgende nummer van het tijdschrift dat hij uitgeeft in het Chinees, om het Chinese volk te informeren over de echte situatie in Tibet. Vroeger geloofde hij niet in dergelijke informatievoorziening. "Ik zat bij Wei Jingsheng in de gevangenis. Ik wist dat hij een dissident was, maar hij was ook Chinees. Dus vond ik dat ik niets met hem te maken had. Zijn verzet tegen de communistische partij was wat mij betrof niet mijn probleem."

"Kijk, laat ik het even voor je tekenen. Dit was vroeger de Tibetaanse provincie Kham, maar het bovenste gedeelte hebben de Chinezen ingelijfd bij de provincie Qinghai, en het Oosten van Kham werd Sichuan. Zo bleef er steeds minder van onze provincie over. Hier ben ik opgegroeid. Mijn vader werkte voor de Chinezen. Hij transporteerde hun goederen. Ik denk wel dat mijn vader een hekel had aan de Chinezen, ook al zei hij dat nooit. Ik denk dat hij alleen voor ze werkte omdat we voedsel nodig hadden. Maar hij zou dat nooit toegeven, alleen al om mij te beschermen. Maar soms praatte hij met zijn vrienden en dan zag ik de haat in zijn ogen.

Ik ging naar een Chinese school. We leerden alleen Chinees Het was tijdens de Culturele Revolutie en in die tijd waren er geen Tibetaanse scholen. Nu zijn er wel een paar, maar nog steeds niet zo veel. Tot aan mijn twintigste kon ik alleen een beetje Tibetaans spreken, maar niet lezen of schrijven. We werden op die scholen net Chinezen. We zagen wel hoe de Chinezen mensen veroodeelden, maar dan dachten wij echt dat die man heel slecht was en hadden geen probleem met het feit dat hij gestraft werd. De vader van een vriend van mij werd tijdens een speciale aanvalsessie te schande gemaakt. Mijn vriend wilde meteen niets meer met zijn vader te maken hebben.. We moesten ook altijd aan onze vaders vragen wat voor politieke ideeen ze hadden, en er op school dan over vertellen. Maar mijn vader antwoordde nooit op mijn vragen. Hij wist dat het gevaarlijk was.

Maar op een dag kwam ik thuis uit school, toen ik gerommel hoorde in de grote kast die buiten naast de deur van onze binnenplaats stond. Ik dacht dat er misschien een dier in opgesloten zat. Toen ik de deur opendeed zag ik mijn vader en mijn grootmoeder. Ze zaten stiekum in de kast te bidden voor een boeddha-beeld. Ik schrok en rende hard weg. Mijn vader kwam achter me aan. Hij zei: "Als je een woord tegen je leraar zegt over wat je net gezien hebt, dan sla ik je in elkaar." Toen ben ik bij de rivier gaan zitten nadenken. Ik had een rode zakdoek om, als teken dat ik een goede revolutionair was. Ik wist niet wat ik moest doen, de waarheid vertellen over mijn vader en geslagen worden of zwijgen en dan riskeren mijn rode zakdoek te verliezen als de leraren er achter kwamen dat ik mijn vader had beschermd. Op het laatst koos ik toch maar voor mijn vader, want ik was banger voor een pak rammel dan voor het verlies van mijn halsdoek.

We begrepen niets van onze eigen cultuur in die tijd. Toen ik elf jaar was, wilde ik echt Chinees worden. Zij stonden op en voetstuk. Daarom vond ik mijn Tibetaanse naam ook zo verschrikkelijk. Maar toen ik groter werd, begon ik langzaam te begrijpen dat de Chinezen op ons neer keken. Mijn Chinese vrienden noemden de Tibetanen barbaren. Ze zeiden dan dat ik geen barbaar meer was, ik sprak goed Chinees en dat was volgens hun en teken van beschaving. Maar ik begon te begrijpen wat ze eigenlijk dachten: dat mijn volk wel barbaars was. Ze vonden zichzelf ver boven de Tibetanen staan, waarom precies wisten ze zelf natuurlijk niet. Ik begon van ze af te groeien en meer geintereseerd te raken in mijn eigen volk.. Zelf kreeg ik uiteindelijk een hekel aan de Chinezen, niet omdat ik religieus was, want dat was ik niet. Maar ik werd langzaam bewust van de rassenhaat die er bestond tussen hen en ons. Ik voelde dat er op me werd neergekeken en dat ik nooit een Chinees zou worden, wat ik ook deed. Ik vroeg mijn ouders mij de Tibetaanse tradities uit te leggen en begon ik me in de taal te leren. Ik wilde een echte Tibetaan worden.

Inmiddels was ik politieagent. Dat was nog een drama bij ons thuis. Mijn vader wilde dat ik gewoon chauffeur zou worden, net als hij. Hij wilde niet dat ik naar de politieschool zou gaan, ik denk omdat hij bang was dat ik dan een slecht mens zou worden. Maar mijn oma wilde dat niet. Chauffeurs krijgen alleen maar ongelukken, zo beweerde ze. Zij was de baas. Zij is immers ouder, en dat gaf de doorslag Ze kregen grote ruzie en oma begon mijn vader te slaan. Normaal gesproken beslist mijn vader alles voor me. Zo kwam hij en paarjaar geleden hier, zag dat ik niet getrouwd was, en zocht meteen en vrouw voor me. Dank zij hem ben ik nu getrouwd. Maar die keer was het mijn oma die won.. Naar mijn mening werd niet gevraagd, maar ik wilde ook wel graag politieagent worden. Dan was je pas en echte man, vond ik. Je kreeg een mooi uniform en iedereen was bang voor je.

Toen ik drie jaar bij de politie was, arresteerden we op een dag een Chinees. Hij had op straat ruzie gekregen met een Tibetaan. Tijdens het verhoor bleef hij maar zeggen "die laozhangzhu" (letterlijk ‘oude Tibetaan’ maar in China een scheldwoord. Buitenlanders worden op dezelfde manier uitgescholden als "laowai" AR). Iedere keer als hij dat zei werd ik zo kwaad dat ik hem in het gezicht mepte. Hij bleef het maar zeggen. Het was gewoonte voor hem dus hij dacht er helemaal niet bij na. Nadat ik hem verschillende malen in het gezicht had geslagen zei hij uiteindelijk braaf "die Tibetaanse kameraad". Maar mijn vader hoorde dat ik die man had geslagen, en liet me niet meer naar mijn werk gaan. Zo bleef ik een week thuis. Tot mijn baas, die erg op mij gesteld was, met mijn vader kwam praten. Hij beloofde mijn vader dat als ik nog eens iemand zou slaan, hij me onmiddelijk zou laten opsluiten. Dus moest mijn vader me op het laatst wel weer gaan.

Mijn baas zette daad bij woord. En poos later brak er weer een ruzie uit op straat. Twee Tibetanen hadden een Chinees aangereden. Ik haalde ze alleen uit elkaar, en daarbij trok ik de Chinees aan zijn bloes. Toen we op het bureau kwamen, begon hij te klagen dat ik hem geslagen had. Ik werd twee weken opgesloten.

Rond die tijd kreeg ik met een stel vrienden het idee om voor de Tibetaanse verzetsstrijders te gaan vechten. Dat leek ons het einde. Vechten voor ons vaderland, tegen de Chinezen. We vonden dat het leven zoals we het op deze mnaier leidden helemaal geen zin had. We gingen maar naar ons werk, maar deden niets nuttigs. We wilden ons als echte mannen in de strijd gooien. We waren heel opgewonden. Tot die tijd wisten we niet wat we doen konden. China was zo groot en er waren zoveel Chinezen. Maar nadat we dit plan bedachtten, hadden we echt het gevoel dat we op de goede weg waren. Eerst moesten we aan een geweer zien te komen. We braken in bij het politiedepot, maar we hadden pech, want daar waren helemaal geen geweren meer. We vonden alleen maar 200 kogels, die hebben toen we maar meegenomen.

Maar we kwamen niet ver. Ik weet niet hoe de politie er achter is gekomen, maar de volgende dag werden we al gepakt.We waren met zijn vieren. Een vriend had geen baan, en hij zei: "Ik zal wel zeggen dat ik het hoofd ben. Jullie hebben allemaal werk. Het is beter dat ze mij lang opsluiten en dat jullie een lichtere straf krijgen". Toen mijn vader dat hoorde werd hij heel kwaad. "Wat voor vriend ben jij", zei hij. "Je wilt een man zijn, en dan laat je zo alle schuld op een van je vrienden schuiven? " Dus zei ik ook dat ik het hoofd was. Ze geloofden mij. Ik werd veroordeeld tot 12 jaar gevangenisstraf. Uiteindelijk heb ik zes jaar gezeten, omdat mijn vader overal naartoe ging smeken om me vroegtijdig vrij te krijgen.

Ze stuurden me naar de gevangenis in Xinning. We moesten iedere dag werken. De Chinezen die er zaten kregen lichter werk dan de Tibetanen. De bewakers zeiden: "Die Tibetanen zijn toch alleen gewend naar de kont van yaks te kijken". Ze zeiden tegen de andere Tibetanen: "Waarom willen jullie nog Tibetaans praten? Kijk eens naar Dawa. Hij is intelligent. Hij spreekt goed Chinees." Ik schaamde me diep, maar zei niets. Terug in mijn cel gooide ik alle Chinese boeken weg. Van een Tibetaanse medegevangene leende ik boeken in het Tibetaans. Nadat ik het eerste boek had doorgewerkt, kon ik ook lezen en schrijven.

Daarna begon de ellende, want ik weigerde werk. In het begin lieten ze me nog timmeren en meubels maken. Dat ging wel. Maar opeens besloten de Chinezen dat ik zware zakken moest gaan sjouwen. Ik kon dat niet, die goederen waren veel te zwaar. Ik dacht: "ik breek mijn rug zo". Dus weigerde ik. De bewakers kwamen in een kring om me heen staan en begonnen te slaan, met electrische stokken en met hun vuisten. Ze sloegen en sloegen, en ik begon te bloeden, maar ik bleef weigeren. Ik bedacht dat als ik door deze marteling heen was, ik zou winnen en ze me dan lichter werk zouden geven. Op het laatst verloor ik het bewustzijn. Toen smeten ze me in een cel. Ze waren bang dat ik dood zou gaan en wilden dan zeggen dat ik zo maar in mijn cel was overleden.

Toen ik bij bewustzijn kwam, had ik inderdaad gewonnen. Ik werd bij de afdeling ouden en gehandicapten ingedeeld. Daar hoefde ik niet te werken. Maar ik moest er wel aan denken dat ik krom bleef lopen, want ik had zogenaamd een slechte rug. Op een dag vergat ik dat. De bewakers zagen het, en ik werd meteen weer aan het werk gestuurd. Niettemin lieten ze me vanaf die tijd alleen draaglijk werk verrichten.

Na zes jaar kwam ik vrij. Ik kreeg werk toegwezen in een streek ver van mijn geboorteplaats. Maar ik was al lang van plan om naar India te vluchten. Ik wilde nog steeds voor de guerilla’s gaan vechten en dacht dat ze mij in India zeker een geweer zouden geven. Ik hoorde immers niets anders dan de Chinese propaganda, die zei dat de Dalai Lama zelf gewapende opstanden organiseerde. Nou, daar wilde ik aan mee gaan doen. Maar eerst wilde ik mijn familie helpen. Ik bouwde een huis voor mijn vader en voor mijn zusters. Ik dacht dat ik misschien snel zou sterven in de strijd, en moest er als oudste zoon voor zorgen dat ik de familie goed achterliet. Drie jaar lang bouwde ik huizen voor de familie, eerst en voor mijn ouders en daarna en voor mijn zusters. Nadat ik naar India was gevlucht, kwamen de Chinezen en braken het huis van mijn vader weer af. Hij moest buiten de stad gaan wonen en verloor zijn baan. Maar mijn vader wordt daar niet kwaad om. Hij is al oud, en wil goed voor zijn gezondheid zorgen. Dus maakt hij zich niet kwaad. is.

Toen ik in India aankwam, meldde ik me meteen bij de regering hier. Ik vertelde ze dat ik een geweer wilde om te gaan vechten. Maar ze zeiden dat ze hier alleen op vreedzame manier werken, en niet met wapens. Ik wilde ze eerst niet geloven, maar langzaamaan zag ik dat ze gelijk hadden. Er is hier niemand die zich met een gewapende opstand bezig houdt. Inmiddels ben ik ook overtuigd van hun gelijk. Ik zie veel jongens hier aankomen, die net als ik willen vechten. Tegenwoordig praat ik dan een hartig woordje met ze. Als ze dan zeggen "Ik wil wel sterven voor Tibet", dan zeg ik "Misschien is het voor jezelf niet erg als je dood gaat, maar hoe zit het met je familie? En je ouders?" Dan zeggen ze "Misschien zouden mijn ouders wel gek worden als ik zou sterven". Sommige vrienden zien mij nu en zeggen tegen me "Dawa, wat ben je toch veranderd. Ben je Tibet vergeten?" Maar ik vertel ze dan dat ik de strijd nog lang niet vergeten ben, maar ik geloof niet in die zinloze opofferingsgezindsheid. Daarom was ik ook geen aanhanger van de hongerstaking. Zo oefen je geen enkele druk uit op de communistische partij. Die doet wat ze wil, en houdt de buitenlanders tevreden door een Wang Dan en een Wei Jingshen vrij te laten.

Ik ben nu zes jaar hier. En ik ben er inmiddels van overtuigd dat onze enige hoop ligt in het veranderen van de Chinezen. Daarom moeten we met Chinese dissidenten praten. Ik schrijf hier een tijdschrift in het Chinees over Tibet, en die sturen we naar zoveel mogelijk Chinezen. Toen ik Wei Jingshen in de gevangenis zag, dacht ik er niet aan dat hij nuttig voor ons zou kunnen zijn. Tegenwoordig weet ik dat er verschil is tussen mensen, dat niet alle Chinezen hetzelfde zijn. Er kwam hier een Chinees meisje op bezoek. Toen ze al de verhalen hier hoorde, begon ze te huilen. Ze zei: "Als Chinese ben ik ook verantwoordelijk voor alles wat jullie is aangedaan. Ik geloofde dat jullie politieke dissidenten waren, maar nu zie ik hier dat jullie eigenlijk alleen maar rust willen en religie uit willen oefenen." En zo is dat. De Chinezen willen ons zonodig ontwikkelen. Maar wij kunnen ook wel leven zonder een auto. Een paard is ook confortabel, maar natuurlijk wijzen we auto’s ook niet helemaal af."

Persoonlijk denk ik dat we allemaal samen terug moeten. Dat lijkt me een effectieve manier. Niet een voor een. Ik kende een jongen die zo graag terug wilde naar Tibet. Wij zeiden nog, doe dat nou niet, maar hij luisterde niet. Hij was al snel verdwenen. Een jaar later zag iemand hem in Chengdu, hij was helemaal gek geworden. Wie weet wat de Chinezen hem hadden aangedaan. Daarom moeten we met minstens honderd man tegelijk terug gaan. Ze kunnen moeilijk honderd mensen tegelijk laten verdwijnen. We verscheuren onze Indiase paspoorten en lopen naar de grens. Maar er zijn maar weinig vluchtelingen hier die echt terug willen. Ze zeggen dan dat de Dalai Lama niet wil dat ze dat doen, ook al heeft hij dat helemaal niet gezegd. Dat werk wat we hier in het buitenland aan het doen zijn, dat praten met die regeringen, heeft geen nut. Die buitenlandse regeringen willen allemaal graag handelen met China. Ze voeren alleen toneelstukjes op. Het zijn net als koningen als ze buiten lopen: vriendelijk kijken, aandig zijn tegen een kindje, maar eigenlijk kan het ze niets schelen.

Een paar jaar geleden kwam mijn vader hier op bezoek. Dat mocht toen, ouders die hun kinderen hier op wilden gaan halen, kregen zonder probleem een paspoort. Dus kwam hij hier en nam mijn jongere broer mee. Ik wilde niet terug, en dus vond hij voor mij een vrouw. We hebben nu een kindje van vier maanden. Slapen? Nee hoor, ik slaap prima, voor dat kind zorgen is een zaak van mijn vrouw.

Mijn vader zou hier niet willen blijven. Hij kent hier de taal niet, zelfs de WC kon hij nog niet vinden. Dat is niets voor hem. In Tibet verdient hij met handelen nog een beetje geld. Het moeilijkste is het voor de armen in Tibet. Die hebben geen geld om hierheen te komen, ook ze in moeilijkheden komen. Mijn vader is nu zestig, net zou oud als de Dalai Lama. Ik denk dat ze beiden nog zo’n twintig jaar te leven hebben. Ze zullen een oplossing voor Tibet nog net mee kunnen maken.